1 2 3c

Totale besoekerstal

Artikels vertoon Trefslae
6624572

Besoekers aanlyn

Ons het 27 gaste en geen lede aanlyn

 

  Videos en Toesprake

 

jacob zuma sing shoot the boer

 

Teken aan

Afrikaner

DIE REFORMATORIESE KOERANT BESTAAN HIERDIE JAAR 50 JAAR

DOMINEE OOSTEN: "DIE REALISERING VIR DIÉ DAGBLAD HET NET DEUR GEBED VAN MY MOEDER TOT STAND GEKOM".

Op Donderdag 1 April was dit 50 jaar gelede dat die koerant 'Die Reformatorische Dagblad'gestig is. Die fondasie is gelê deur slegs die Moeder van ds. Oosten 'n biddende vrou wat elke dag 2021 05 15 2hierdie plan vir God se troon gebring het en 'n komitee van vyf manne wat ernstig ondersoek het of dit uitvoerbaar was. Die geselskap het eers begin met die uitgawe van Stigting Reformatoriese Publikasie, 'n voorloper van wat later 'n Landelike Christelike dagblad sou word, wat sowel bedoel was vir die samelewing as vir eie kring. In ondermeer die eiland Urk is daar aandele uitgegee aan belangstellendes wat baie suksesvol was Toe die koerant in 1971 van die perse gerol het, was daar reeds 'n paar duisend abonnees. Deurdat die adresse van die gesinne verspreid was oor die hele land, het die RD, soos die koerant al gou genoem is, eers via die posmanne die lesers bereik. Later het begin om self 'n besorgdiens in te stel
sodat die dagblad dieselfde dag nog gelees kon word. Nav. die heuglike feit het ons 'n insiggewende onderhoud gehad met die reeds genoemde predikant

"Dominee Oosten. Allereerst willen we u hartelijk danken voor uw tijd en moeite. Zou u de lezers iets over uzelf willen vertellen?"

"Ik ben geboren in 1940 als zoon van een Friese vader en een Duitse moeder. Ik was dus 26 jaar toen in 1966 de eerste plannen tot het oprichten van een reformatorische krant tot stand kwamen. In die tijd was ik (sedert 1957) werkzaam als ambtenaar op het gemeentehuis van Zeist, waar ik veel administratieve en maatschappelijke ervaring heb opgedaan. Maar in 1969 ging ik over op de theologie aan de Rijksuniversiteit te Utrecht met een zogenaamde late roeping. In 1976 werd ik predikant in de Hervormde Gemeente van Wouterswoude in Friesland, later volgden de gemeenten van Hedel (bij ’s Hertogenbosch) en Sint Anthoniepolder in de Hoekse Waard onder Rotterdam. Moeder (1905-1994) was van huis uit Rooms Katholiek, maar zij is krachtdadig tot bekering gekomen en deed in 1937, samen met mijn vader, geloofsbelijdenis in de Hervormde Kerk in Driebergen. Zij was een vrouw van veel gebed, voor het gezin, voor de kerk en voor de krant. Zij ging steeds mee in al de gemeenten die ik gediend heb. In 1983 ben ik in Friesland getrouwd en heb sedert die tijd ook veel steun van mijn echtgenote gehad. Wij hebben samen 2 kinderen en 8 kleinkinderen".

"In welk jaar vatte het plan post om te overwegen om een christelijke krant te beginnen en was dit een kwestie van principe om dit te doen?"

"Het was in november 1966 dat er in een vergadering van de Staatkundig Gereformeerde Kiesvereniging in mijn woonplaats Driebergen door enkele leden geklaagd werd over het gemis aan een werkelijk verantwoorde christelijke krant. Er bestonden wel enkele zogenaamd christelijke kranten, maar toch werd daarin het rechte bijbelse orthodoxe geluid gemist. Er was 2021 05 15 1totaal geen respect in te vinden voor ons reformatorisch gezinde volksdeel. Er waren in die tijd enkele polio-epidemieën geweest, waarbij men zich zeer negatief uitliet over gelovigen die zich om principiële redenen niet wilden laten vaccineren. Dit versterkte het gemis aan een krant op reformatorische grondslag voor ons volk, onze gezinnen, onze scholen en kerken. Het werd als een nood gevoeld. Zo rees het idee om er daadwerkelijk iets aan te doen. Er was verantwoorde voorlichting, principiële beschouwing, duiding van het nieuws nodig vanuit Gods Woord. Maar de grote vraag was: wie is er in staat om dit op te pakken? Niet alleen principieel, maar ook zakelijk gezien leek het ook in die tijd al een onmogelijke opgave om een nieuw mediabedrijf op te richten. Daar was werkelijk veel gebed voor nodig. De zaak was al eens eerder voorgelegd aan het hoofdbestuur van de Staatkundig Gereformeerde Partij, omdat het partijblad “De Banier” in de jaren voor de 2e Wereldoorlog een dagblad was geweest maar in de oorlog had opgehouden te bestaan. Maar het hoofdbestuur zag geen mogelijkheid meer voor een herstart als dagblad, al erkende het de principiële noodzaak wel".

"In ons voorgesprek gaf u al aan dat behalve uw biddende moeder zeer veel mensen verspreid over geheel Nederland baden terwijl u met de andere predikanten tw.: ds. D. J. Budding, ds. G. den Boer en ds. J. Veenendaal verder uitwerkte. We kunnen dus gerust zeggen dat dit een zaak van gebed was. Is dit juist gesteld?"

"Volkomen. Wanneer onze voornemens bij deze of gene ter sprake kwamen, kregen we niet alleen veel bijval, maar ook veel begrip bij de ogenschijnlijk onmogelijke opgave waar we voor stonden. En dan kregen we van velen de belofte dat men deze zaak in het gebed zou voorleggen aan Gods Troon. Dat was een bewijs van een onvoorwaardelijk geloof in Gods almacht tegenover onze onmogelijkheden. Weet u, met een verstandelijke redenering alleen zie je bergen van bezwaren. Daarom was het voor ons zo groot dat juist levende kinderen van God de nood meedroegen. We kregen soms brieven van eenvoudige gelovigen die ons op het hart bonden: bid en werk! Dus bidden voorop. Sommigen legden er de nadruk op: je moet ook zakelijk zijn. Dat is natuurlijk wel waar. Maar toch, bidden gaat voorop. Dat is toch niet voor niets een krachtig wapen. Dat meebidden van velen hebben we gevoeld".

"Heeft het comité voorafgaand aan dit plan een 'marktonderzoek' gehouden of een dergelijke krant levensvatbaar zou zijn?"

"Ja, dat was eigenlijk het allereerste. Daar kan ik twee dingen van zeggen. We staken allereerst ons licht op bij personen die wij deskundig achtten op het gebied van de christelijke pers. Daarvan was de reactie: zakelijk gezien is het eigenlijk onmogelijk, principieel gezien toch wenselijk. En anderzijds: alleen mogelijk als u het van elders verwacht; bedoeld werd natuurlijk: van Boven! In de tweede plaats hielden wij een schriftelijke opiniepeiling onder een behoorlijk aantal bekende predikanten van de verschillende kerken binnen de gereformeerde gezindte. Denk aan Hervormde predikanten op gereformeerde grondslag en predikanten van de Christelijke Gereformeerde Kerken, de Gereformeerde Gemeenten, de Gereformeerde Gemeenten in Nederland, de Oud-Gereformeerde Gemeenten en enkele Vrije Gemeenten. Daarvan was de uitslag onverdeeld positief. Op die steun en hun invloed in de kerken konden we dus rekenen. De krant zou zeker wel afname vinden. En gerekend naar het landelijke aantal stemmers op de Staatkundig Gereformeerde Partij zou men zelfs tot een aantal van 80.000 abonnees moeten kunnen komen. Dat was natuurlijk theoretisch geredeneerd en praktisch zeker niet haalbaar. Maar volgens prognoses zou een start met 20.000 abonnees mogelijk moeten zijn, onder conditie van een doorgroei tot 50.000. Nu was het dus zaak om daar, door publiciteit animo voor te vinden".

"Wanneer kwam u voor het eerst bijeen en we koppelen er een vraag aan vast. Kende u de andere predikanten al?"

"Als voorlopig aktiecomité kwamen we voor het eerst bijeen in november 1966. We kenden elkaar als dorpsgenoten en geestverwanten. En ook de predikanten die wij aanschreven bij onze eerste opiniepeiling kenden we allemaal. We waren zelf leden van verschillende kerken van de gereformeerde gezindte en niet enghartig kerkelijk, maar breed kerkelijk-geestelijk verwant. Dat was een aangename ervaring in een tijd van veel verscheurdheid en verdeeldheid. Er werd heel broederlijk met elkaar omgegaan. Blijkbaar kan een nood verbindend werken. En moet het zo, vanuit Gods Woord gezien, niet zijn? Zo mag zelfs een reformatorische krant nog verbindend werken. Dat ervaren we als een groot goed".

"In de inleiding gaven we al aan dat voorafgaand aan het Reformatorisch Dagblad eerst de Stichting Reformatorische Publicaties werd opgericht.. Kunt u schetsen hoe dit in z'n werk ging?"

"Wel, toen er uitgebreid positief werd gereageerd op onze opiniepeiling besloten we allereerst het “voorlopige aktiecomité” uit te breiden tot een “Aktiecomité Reformatorisch Dagblad”. Door toetreding van meer betrokken personen bestond dit comité al spoedig uit 23 personen, die zich er samen voor inzetten om het voornemen voort te zetten. Maar om er behoorlijk uitvoering aan te geven werd beseft dat er dan allereerst een juridische structuur voor nodig was. Daarom werd in 1968 bij notariële akte de “Stichting Reformatorische Publicatie”opgericht, met als statutaire doelstelling de verspreiding van de reformatorische beginselen door middel van de uitgave van een reformatorisch dagblad. De comitéleden werden nu opgenomen als lid van het stichtingsbestuur. Onze voorzitter werd de mede-initiatiefnemer de heer G.den Boer, kunsthandelaar te Driebergen, zelf werd ik secretaris en de heer D.J.Budding, assistent-accountant, werd penningmeester. De heer B.J.van der Vlies (het latere Tweede Kamerlid voor de Staatkundig Gereformeerde Partij) werd algemeen adjunct. De heer J.Veenendaal werd bureaumanager. Na een aantal jaren trad de heer Den Boer, die inmiddels predikant was geworden in een Vrije Gereformeerde Gemeente, om gezondheidsredenen af en volgde ik hem op als voorzitter. De oprichting van de Stichting Reformatorische Publicatie werd door mij nog op dezelfde dag doorgegeven aan het Algemeen Nederlands Persbureau (A.N.P.) en zo terstond publiek gemaakt door de pers. Zo kon de stichting zich officiëel naar buiten presenteren. Daar was ook haast bij, omdat inmiddels een ander comité, dat onze grondslag niet wilde onderschrijven, verdeeldheid zaaide en zo het initiatief dreigde te doorkruisen. Als stichting waren wij natuurlijk uit zakelijk oogpunt niet het juiste orgaan om een mediabedrijf te voeren. Daarom werd door ons als stichting een naamloze vennootschap opgericht: “het Reformatorisch Dagblad N.V.”. De stichting bleef tot op heden bestaan als toezichthoudster. En de N.V. kon het besluit nemen om tot kapitaalvorming over te gaan door aandelen uit te geven".

"Kort na de oprichting trokken u en de uwen het land in om aandelen te verkopen teneinde kapitaal te vergaren om het reeds genoemde dagblad te beginnen. Hoe werd er over het algemeen gereageerd door het publiek?"

"We gingen aandelen aanbieden van honderd gulden per stuk aan degenen die zich inmiddels hadden opgegeven als aspirant-abonnees. Dat deden we via onze voorlichtingsbladen die periodiek werden rondgestuurd. Maar ook voor persoonlijk bezoek door onze vrijwillige propagandisten die we intussen hadden geworven. Deze waren heel enthousiast en de aanvragen stroomden binnen. Zelf ben ik met een collega op pad gegaan in Urk, waar ook veel meeleven was. We verkochten hier regelmatig 20, 25, 40 of zelfs 50 aandelen, contant betaald. Het voorgenomen kapitaal werd tenslotte zelfs ruimschoots overschreden. Ook de stichting nam zelf deel met een meerderheidsaandeel en een prioriteitsaandeel, waarmee de stichting de voornaamste zeggenschap in de N.V. (later B.V.) behield.

"De krant telde zo'n 16:000 abonnees toen in 1971 het Reformatorisch Dagblad van de persen rolde. Kunt u globaal zeggen wanneer dit er meer werden?"

"Aanvankelijk waren er velen in het land die eerst nog een afwachtende houding aannamen en eerst de krant (die er nog niet was) wilden zien. Toen deze dan eindelijk na die 5 jaren van voorbereiding als een wonder verscheen, stroomden de abonnees binnen. Ik schat dat we binnen 2 jaar over de 20.000 heen waren, terwijl het aantal nog bleef groeien. Na een jaar of tien bereikten we de 50.000. Uiteindelijk kwamen we niet hoger dan ruim 55.000. Momenteel is het aantal abonnees op de papieren krant weer dalend door de verschuiving naar de digitale mogelijkheden waarop we ons nu inzetten".

"We begrepen dat er in dat allereerste prilste begin er nog geen eigen bezorgdienst was waardoor de abonnees de krant telkens één dag later kregen. Toch was dit geen bezwaar. Een uitspraak uit die tijd van een der lezers J. den Hoed was: "Beter oud nieuws dan bij de tijd te zijn met slecht nieuws". Was deze positieve houding tekenend voor de meeste abonnees?"

"Ja, zonder meer. Maar de eigen bezorging was wel bevorderlijk voor de toename van abonnees die niet wilden wachten op de krant tot de volgende dag. Trouwens, de postbezorging was niet ideaal. Regelmatig kwam de krant een dag te laat. Dan heb je echt oud nieuws. Maar het gaat de meeste van onze abonnees niet alleen maar om het nieuws, maar ook om de duiding ervan en om commentaar en bijbelse voorlichting over allerlei ethische en andere onderwerpen. Dat is juist het eigene van het RD. Daarom accepteerden de meesten de bezwaren van de bezorging wel. Voor je principe heb je toch wat over!"

"Tot welk jaar bent u betrokken geweest bij de totstandkoming en wanneer is, toen er sprake was van een volwaardig nieuwsblad de Stichting Reformatorische Publicaties opgehouden te bestaan?"

"Mijn betrokkenheid was vanaf de oprichting in 1966 tot 2016 toen ik vanwege mijn leeftijd aftrad als voorzitter van de Stichting Reformatorische Publicatie. Zoals ik al zei is deze stichting blijven bestaan als toezichthoudend orgaan en als prioriteitsaandeelhoudster, waardoor zij de ultieme verantwoordelijkheid behoudt. Ondanks mijn officiële aftreding ben ik op dit moment nog vrijwillig bij het bedrijf betrokken door enkele malen per jaar de nieuwe personeelsleden in het kader van hun opleiding voor te lichten over de geschiedenis, de principes en vooral ook de missie van onze krant.".

"Afrondend willen we u vragen hoe u thans de huidige opzet van het Reformatorisch Dagblad beziet. Heeft zij naar uw mening, ondanks enige veranderingen qua vormgeving en opmaak en onder andere de introductie van een eigen kanaal op YouTube iets van haar principes ingeboet of is het juist zo dat zij niet mee is gegaan met de tijdgeest en zich nog steeds onderscheid van andere kranten?"

"Ik heb onlangs nog de nieuwe personeelsleden gewezen op de principiële ontwikkelingen bij andere dagbladen die zich vroeger christelijk noemden. Neem een dagblad als “Trouw”, dat in de 2e Wereldoorlog als christelijke verzetskrant ontstond, maar binnen 30 jaar het etiket “christelijk” heeft afgelegd. Daar tegenover het Reformatorisch Dagblad dat na 50 jaar nog onverminderd op dezelfde grondslag staat, die ook door al onze medewerkers nog wordt onderschreven. Dat wil niet zeggen dat er nooit eens missers zijn. Maar besturen, hoofdredactie, directie en medewerkers zetten zich allemaal samen in voor het behoud van de grondslag. En ook hier geldt de opdracht vanaf de oprichting: Bid en werk. Ik herinner eraan dat er bij de eerste verschijning van de krant in 1971 een brochure verscheen met de titel: “Bekroning zonder roem”. Dat mogen we ook na 50 jaar nog zeggen. Gode zij roem en dank!".

Hartelijk dank voor uw medewerking en we wensen u de rijke zegen van de HEERE".

ns: Ons sê baie dankie aan mnr. Hendrik-Jan van der Heiden vir die fotos.

 s1

 d1

 sw1

 v1

Haat Spraak  

 

Volkstem Vorige Uitgawes Advertensie